Heiligdom van Tophet

Heiligdom van Tophet


We are searching data for your request:

Forums and discussions:
Manuals and reference books:
Data from registers:
Wait the end of the search in all databases.
Upon completion, a link will appear to access the found materials.

Het heiligdom van Tophet in Tunesië vormt de overblijfselen van een groot aantal kindergraven die dateren uit de Punische periode van Carthago. Historici hebben fel betwist of de Carthagers in tijden van ernstige ontberingen kinderoffers brachten, en zo ja, hoeveel van de graven in Tophet toebehoren aan geofferde kinderen.

Heiligdom van de geschiedenis van Tophet

De Tophet van Salammbo dateert uit de oprichting van de stad door koningin Alyssa of Dido in de 19e eeuw voor Christus en gaat door tot 146 voor Christus, toen de stad werd verwoest door de Romeinse Republiek in de Derde Punische Oorlog. Carthago was de hoofdstad van de beschaving die zich had ontwikkeld van een Fenicische kolonie tot een Punisch rijk. De term 'tophet' komt uit de Hebreeuwse Bijbel, wat 'plaats van verbranding' betekent, en heeft betrekking op verhalen over kinderoffers die de Bijbel veroordeelt.

Gevallen van kinderoffers door de Carthagers werden echter ook geregistreerd in Grieks-Romeinse bronnen zoals Sophocles en Plutarchus. Carthaagse inscripties verwijzen in plaats daarvan naar de sites niet als tofeten, maar als tempels, heiligdommen of heiligdommen. Geen enkele overlevende Carthaagse teksten beschrijven welke rituelen werden uitgevoerd bij de tofet. Tussen 1921 en de jaren zeventig vonden archeologische opgravingen echter overblijfselen van zowel menselijke baby's als lammeren, vaak vermengd met andere dierlijke resten.

De botten toonden aan dat ze werden blootgesteld aan verschillende temperaturen, wat suggereert dat het offer boven een brandstapel in de open lucht werd verbrand. Deze overblijfselen werden verzameld en in een urn geplaatst en begraven, soms met een stenen monument om de plaats te markeren, waaronder een stele (een hoge houten of stenen plaat), cippus (een laag voetstuk of marker gebruikt door de Romeinen) of een troon. Het heiligdom bevat meer dan 20.000 urnen.

Nadat de Romeinen Carthago hadden veroverd, weerhield hun afschuw van mensenoffers hen er niet van om boven het heiligdom te bouwen, werkplaatsen, pakhuizen en een tempel op de plaats te bouwen.

Heiligdom van Tophet vandaag

Tegenwoordig is deze griezelige plek te vinden in de buurt van de Punische haven in Tunis, die ongeveer een hectare land beslaat. Je kunt tussen de stèles wandelen en de inscripties en gravures van de oude grafmarkeringen bekijken in de schaduw van palmbomen, beschut tegen het hete zomerweer van Tunesië.

Naar het heiligdom van Tophet gaan

Carthago ligt op 16 km van Tunis en is met de auto in 20 minuten te bereiken. De gemakkelijkste manier om vanuit het centrum van Tunis naar Carthago te komen, is met het lokale vervoer: het TMG-lichttreinstation Carthage-Byrsa bereikt het heiligdom van Tophet. Er is een dagelijkse dienst die loopt van 's ochtends vroeg tot middernacht.


Heiligdom van Tophet - Geschiedenis

Weinig historische kwesties zijn zo controversieel als het offeren van kinderen in de oude mediterrane en bijbelse werelden. De bijbelse term Tophet wordt gewoonlijk gebruikt om te verwijzen naar een soort crematiecentrum in de open lucht. Het gemeenschappelijke element dat kenmerkend is Tophets is de aanwezigheid van een open ruimte waar urnen met gecremeerde resten van dieren en/of kinderen zijn gedeponeerd.

Motya, Tophet: zicht op het urnenveld, met laag V (ca. 625-550 v. Chr.) op de voorgrond, vanuit het westen (met dank aan de archeologische expeditie van Rome “La Sapienza” naar Motya).

Bijbelteksten (bijv. 2 Koningen 23:10 Jer 7:31-32, 19:6-13 Jes 30:33) verwijzen naar “de hoge plaats van Tofet”, in de vallei van Ben Hinnom buiten Jeruzalem, waar mensen hun zonen passeerden en dochters door het vuur. Daarnaast maken verschillende Griekse en Latijnse auteurs zoals Diodorus Siculus en Tertullianus ook melding van mensen- en kinderoffers bij de Feniciërs en Carthagers, voornamelijk ter ere van de god Kronos/Saturnus en in crisismomenten.

Tot dusver Tophets zijn alleen geattesteerd uit de 8e eeuw vGT in Fenicisch/Punisch sprekende nederzettingen in het centrale Middellandse Zeegebied. Vóór de 2e eeuw vGT is hun aantal beperkt tot Noord-Afrika (Carthago en Sousse/Hadrumetum), Sicilië (Motya, mogelijk Lilybaeum en Solunto), mogelijk Malta (Rabat) en Sardinië (Sant'Antioco/Sulky, Tharros, Bitia , Nora, Cagliari en Monte Sirai).

Kaart van het centrale Middellandse Zeegebied met de positie van de zekere, waarschijnlijke (*) en hypothetische (**) Tophets, getuigd tussen ongeveer de 8e en 2e eeuw voor Christus (door A. Orsingher).

Deze heilige gebieden bevonden zich meestal aan de rand van de nederzetting of daarbuiten, in de buurt van een rots of op een verhoogde positie. Bovendien zijn er mogelijk platforms, altaren, kleine kapellen of heiligdommen gebouwd en zijn er mogelijk sculpturen, terracotta beeldjes, rituele en miniatuurvaartuigen gebruikt binnen de heilige compound.

Motya, Tophet: selectie van kleine en miniatuurschepen uit lagen VI-V, c. 675-550 v. Chr. (foto door A. Orsingher met dank aan de archeologische expeditie van Rome "La Sapienza" naar Motya).

Hun meest karakteristieke elementen - een veld van urnen en stèles, de titulaire goden en de rite die eindigde met de crematie van jonge dieren en kinderen - overleefden in Sousse na de vernietiging van Carthago in 146 vGT. Ze werden ook bevestigd in nieuw opgerichte cultusplaatsen, die zich vanaf het einde van de 3 e en vooral de 2 e eeuw vGT in Noord-Afrika begonnen te verspreiden tot de 2 e eeuw na Christus. Op sommige van deze locaties werd een heiligdom voor Saturnus gebouwd in de buurt van of bovenop de Tophet,. De relatie tussen deze cultplaatsen, of het nu gaat om continuïteit en/of verandering, staat nog steeds ter discussie.

Sommige artefacten, zoals miniatuurvaatjes, steenvlokken, schelpen, amuletten, metalen vondsten, werden in of net buiten de urn geplaatst. In latere perioden bevatten urnenvelden ook stenen markers, die varieerden in vorm, grootte, materiaal en iconografie en soms werden gegraveerd. Deze votiefinscripties waren meestal gericht aan de god Ba'l Hamon eennd – van ongeveer de 5e eeuw vGT – aan de godin Tinnit, met vermelding dat de stenen markeringen zijn opgericht omdat de god(en) de stem van de aanbidder heeft/hebben gehoord of zodat de inwijder(s) zou worden gehoord. Dus zijn dit het bewijs van kinderoffers?

Motya, Tophet: ingeschreven stèle uit stratum III, c. 525-470 v. Chr. G. Whitaker Museum, inv. Nee. S 177 (foto door L. Nigro met dank aan Rome "La Sapienza" Archeologische expeditie naar Motya).
Schematisch diagram van de archeologische vondsten in de heiligdommen van Tophet (aangepast van A. Orsingher, Schepen in de heiligdommen van Tophet: het archaïsche bewijs en de Levantijnse connectie, Proceedings of the International Symposium Beiroet 2012 “Cult and Ritual on the Levantine Coast and its impact on the Eastern Mediterranean Realm. BAAL Hors-Série X, Beiroet, 2015, afb. 1).

De associatie van bijbelse en klassieke teksten met deze cultusplaatsen werd in de jaren 1920 voorgesteld, eerst in Motya en gekoppeld aan de Carthaagse gewoonte om kinderen te offeren. Het was echter de ontdekking in Carthago van verschillende versierde stèles en urnen met gecremeerde dierlijke en kinderskeletresten die de meeste academische, media- en publieke aandacht trok.

Motya, Tophet: luchtfoto van het heilige gebied, met Long Island en Favignana op de achtergrond, vanuit het zuiden (foto door L. Nigro met dank aan Rome "La Sapienza" Archeologische expeditie naar Motya).

Carthago, Tophet: een detail van de zogenaamde stèle van de priester en het kind, ca. midden 4 e -3 e eeuw v. Chr. Musée National du Bardo, Tunis, inv. Nee. Icard C217 (foto door A. Orsingher).

Een van deze stèles viel op door zijn opvallende iconografie: een staande mannelijke figuur, mogelijk een priester, die met zijn linkerarm een ​​kind vasthoudt. Het voorkomen van de term MLK op sommige van de ingeschreven stèles herinnert aan verwijzingen naar de god Molech in bijbelse bronnen. Dit personage werd onderdeel van de collectieve verbeelding dankzij een reeks literaire en cinematografische werken: eerst en vooral Flauberts Salammbo (1862), die de fictieve voorstellingen van de godheid inspireerde, en zijn ritus en standbeeld in Salgari's Cartagine in fiamme (1908) en in de stomme films Cabiria (1914) en Metropolis (1927).

De echo van deze ontdekking verspreidde zich snel buiten de academische wereld. Het onderwerp creëerde al snel een verdeeldheid tussen wetenschappers die het bestaan ​​van kinderoffers niet konden accepteren, de geloofwaardigheid van de geschreven bronnen in twijfel trokken en suggereerden dat kinderen een natuurlijke dood stierven, en degenen die teksten vertrouwden en deze heiligdommen zagen als het archeologische bewijs voor zulke rituelen. Hoewel er bijna een eeuw is verstreken, heeft deze verdeling het grootste deel van de geschiedenis van Tophet studies.

Cabiria: filmposter door N. Morgello, 1914 (Wikimedia Commons).

Het debat leverde een enorme hoeveelheid wetenschappelijke literatuur op, waarin enkele keerpunten te herkennen zijn. Discussies over mensenoffers en de god Molech begonnen al in de middeleeuwen, maar waren tot 1921 uitsluitend gebaseerd op bijbelse en klassieke teksten. Later werd de discussie uitgebreid tot het archeologische bewijs dat was verzameld door middel van veldwerkactiviteiten en toevallige ontdekkingen.

Wetenschappelijke opgravingen, vooral de opgravingen die in de jaren zestig en zeventig in verschillende heiligdommen zijn begonnen, werden de hoekstenen van Tophet studies door het verstrekken van gedetailleerde rapporten en catalogi van stèles, hun iconografieën en inscripties, en analyses van de gecremeerde skeletresten, urnen en terracotta's. De interpretatie van het kindoffer bleef het belangrijkste verhaal tot het begin van de jaren tachtig, toen er kritiek op de offertheorie ontstond. Zo benadrukte Hélène Bénichou-Safar de schaarste aan kinderbegrafenissen in Carthago, waardoor de theorie van Tophets als begraafplaatsen voor kinderen die een natuurlijke dood stierven voordat ze werden ingewijd, en Grieks-Romeinse bronnen werden opnieuw afgedaan als bevooroordeeld of verkeerd geïnformeerd.

Carthago, Tophet: stratigrafisch schema van het urnenveld (overgenomen van: H. Bénichou-Safar, Le tophet de Salammbô à Carthago. Essai de Reconstitutie. Collection de l'École française de Rome 342, Roma, 2004, pl. XXV).

Motya, Tophet: schematische west-oost stratigrafische doorsnede door het urnenveld (overgenomen van A. Ciasca, Mozia: sguardo d’insieme sul Tofet, Vicino Oriente 8 (1992), afb. 7).

Het jaar 1987 valt op als een keerpunt. Sabatino Moscati en Sergio Ribichini publiceerden boeken waarin ze de systematische praktijk van het offeren van kinderen ontkennen, een conclusie die steeds meer steun vindt onder wetenschappers. Ondertussen werden onder degenen die de offertheorie ondersteunden, argumenten aangevoerd om deze ritus uit te leggen als een mechanisme om de bevolkingsgroei te reguleren of als een seizoensceremonie. Het debat dat op deze kritiek volgde, hielp bij het verfijnen van methodologieën, het ontwikkelen van een meer kritische benadering van de verschillende bronnen en het verkennen van nieuwe onderzoekslijnen, zoals de verbinding van Tophets naar de Fenicische identiteit.

Maar net toen het debat afkoelde, werden tegenstrijdige resultaten gepubliceerd van osteologische analyses die afzonderlijk door twee teams waren uitgevoerd op dezelfde gecremeerde skeletresten van ASOR's opgravingen in Carthago. Een lang dispuut (2010-2017) – gebaseerd op verschillen in criteria voor leeftijdsschatting – vond plaats. De ene groep wees op een aanzienlijk aantal prenatale overblijfselen, die niet in overeenstemming waren met de theorie van het offeren van kinderen, terwijl het andere team hogere leeftijden bij overlijden zag, volgens welke opoffering zeer waarschijnlijk was.

Ondertussen (2013-2017) ontdekte de universiteit van Palermo meer kindergraven in de necropolis op Motya. Daar komen het aandeel kinderen in het skeletmonster en de aanwezigheid van verschillende andere leeftijdsgroepen overeen met de kindersterftecijfers in pre-industriële samenlevingen, waaruit blijkt dat – welke rituelen er ook werden gehouden in de Tophets – ze hadden alleen betrekking op een selectie van prenatale, neonatale en jonge mensen.

De kwestie van het offeren van kinderen blijft onopgelost, maar de dichotomie necropolis-heiligdom lijkt nu achterhaald. Tegenwoordig zijn veel geleerden het erover eens dat: Tophets waren multifunctionele heilige gebieden waar een verscheidenheid aan riten werd uitgevoerd. Het gebruik van statistische methoden kan helpen om onderscheid te maken tussen normen en uitzonderingen in rituele praktijken, en hopelijk nieuwe - en zelfs gedeelde - opvattingen over deze heiligdommen te genereren.

Adriano Orsingher is een postdoctoraal onderzoeker aan het Instituut voor Prehistorie, Vroege Geschiedenis en Middeleeuwse Archeologie aan de Eberhard Karls Universiteit van Tübingen.

Voor verder lezen

Benichou-Safar, Le tophet de Salammbô à Carthago. Essai de Reconstitutie. Collection de l'École française de Rome 342, Roma, 2004.

D'Andrea, I tofet del Nord Africa dall'età arcaica all'età romana (VIII sec. a.C. – II sec. d.C.). Studie archeologici. Collana di Studi Fenici 45, Rome, 2014.

toneelspeler, Riten van de lente in de Carthaagse Tophet. BABESCH Byvanck Lezing 8, Leiden, 2014.

Xella (red.), De Tophet in de Fenicische Middellandse Zee. Studi Epigrafici en Linguistici 29-30, Roma, 2013.


Inhoud

De Punici ontleenden de oorspronkelijke kern van hun religie aan Fenicië, maar ontwikkelden ook hun eigen pantheons. [3] De slechte kwaliteit van het bewijs betekent dat conclusies over deze goden voorlopig moeten zijn. [4] Er zijn geen hymnes, gebeden of godenlijsten bewaard gebleven en hoewel er veel inscripties zijn, [5] zijn deze erg formeel en vermelden ze over het algemeen alleen de namen van goden. [6] [7] De namen van goden werden ook vaak opgenomen in theoforische persoonsnamen en sommige goden zijn vooral bekend van dit onomastische bewijs. [8] [1]

Het is moeilijk om een ​​hiërarchie van de Carthaagse goden te reconstrueren. [9] Het was gebruikelijk dat de pantheons van Fenicische steden werden geleid door een goddelijk paar, genaamd Baal (heer) en "Baalat" ("dame"). [10] In Carthago schijnt dit goddelijke paar te hebben bestaan ​​uit de god Baal Hammon en de godin Tanit, die vaak voorkomen in inscripties van de tophet van Salammbô, waarmee ze in het bijzonder geassocieerd lijken te zijn. [4] [11] Vanaf de vijfde eeuw vGT wordt Tanit in inscripties voor Baal Hammon genoemd en draagt ​​de titel "Gezicht van Baal" (pene Baal), wat misschien aangeeft dat ze werd gezien als bemiddelaar tussen de aanbidder en Baal Hammon. [12] Een antropomorf symbool, bestaande uit een cirkelvormig "hoofd", horizontale "armen" en een driehoekig "lichaam", dat vaak wordt aangetroffen op Carthaagse stelae, staat door moderne geleerden bekend als het teken van Tanit, maar het is niet duidelijk of de Carthagers het zelf met Tanit associeerden. De connecties van Baal Hammon en Tanit met het Fenicische pantheon worden gedebatteerd: Tanit kan een Libische oorsprong hebben, [12] maar sommige geleerden verbinden haar met de Fenicische godinnen Anat, Astarte of Asherah. Baal Hammon is soms verbonden met Melqart of El. [4] De goden Eshmun en Melqart hadden ook hun eigen tempels in Carthago. [4] De priesters van andere goden zijn bekend uit epigrafisch bewijs, waaronder Ashtart (Astarte), Reshef, Sakon en Shamash. [11]

Verschillende Punische centra hadden hun eigen verschillende pantheons. In het Punische Sardinië werd Sid of Sid Babi (bij de Romeinen bekend als Sardus Pater en blijkbaar een inheemse godheid) aanbeden als de zoon van Melqart en werd in het bijzonder geassocieerd met het eiland. [13] In Maktar, ten zuidwesten van Carthago, was Hoter Miskar ("de scepter van Miskar") een belangrijke god. Bij Leptis Magna worden een aantal unieke goden getuigd, velen van hen in Punisch-Latijnse tweetalige inscripties, zoals El-qone-eres, Milkashtart (Hercules) en Shadrafa (Liber Pater). [14] Inscripties in de tofet in Motya in het westen van Sicilië verwijzen vaak naar Baal Hammon, zoals in Carthago, maar verwijzen helemaal niet naar Tanit. [15]

In navolging van de gangbare praktijk van interpretatio graeca, gebruiken Grieks-Romeinse bronnen consequent Griekse en Latijnse namen, in plaats van Punische, om naar Punische godheden te verwijzen. [8] Ze identificeren Baal Hammon meestal met Cronus/Saturnus, Tanit met Hera/Juno Caelestis, [11] Melqart met Hercules, [12] en Astarte met Venus/Aphrodite, hoewel de Etruskisch-Punische tweetalige Pyrgi-tabletten die rond 500 v. haar met de Etruskische godin Uni (Hera/Juno). [15] Zowel Reshef als Eshmun zouden Apollo kunnen zijn, maar Eshmun werd ook geïdentificeerd met Asclepius. [8] [12] Veel van deze Romeinse goden, vooral Saturnus, Caelestis, Hercules en Asclepius, bleven erg populair in Noord-Afrika na de Romeinse verovering en vertegenwoordigen waarschijnlijk een aanpassing en voortzetting van de Punische goden. [16]

Een belangrijke bron over het Carthaagse pantheon is een verdrag tussen Hamilcar van Carthago en Filips III van Macedonië, bewaard door de Griekse historicus Polybius uit de tweede eeuw voor Christus, waarin de Carthaagse goden onder Griekse namen worden vermeld, in een reeks van drie triaden. Gemeenschappelijke formules en frasering laten zien dat het behoort tot een Nabije-Oosterse verdragstraditie, met parallellen in het Hettitisch, Akkadisch en Aramees. [17] [18] Gezien de inconsistenties in identificaties door Grieks-Romeinse auteurs, is het niet duidelijk welke Carthaagse goden moeten worden geïnterpreteerd. [8] Paolo Xella en Michael Barré (gevolgd door Clifford) hebben verschillende identificaties naar voren gebracht. [14] [17] [18] Barré heeft zijn identificaties ook in verband gebracht met Tyrische en Ugaritische voorgangers [18]

De Carthagers namen ook de Griekse culten van Persephone (Kore) en Demeter over in 396 vGT als gevolg van een plaag die werd gezien als goddelijke vergelding voor de Carthaagse ontheiliging van de heiligdommen van deze godinnen in Syracuse. [19] Niettemin onderging de Carthaagse religie geen significante hellenisering. [20] Ook de Egyptische goden Bes, Bastet, Isis, Osiris en Ra werden vereerd. [21] [8]

Er is heel weinig bewijs voor een Punische mythologie, maar sommige geleerden hebben een originele Carthaagse mythe gezien achter het verhaal van de stichting van Carthago die wordt gerapporteerd door Griekse en Latijnse bronnen, vooral Josephus en Vergilius. In dit verhaal vlucht Elissa (of Dido) uit Tyrus nadat haar broer, koning Pygmalion, haar man, een priester van Melqart, heeft vermoord en de stad Carthago heeft gesticht. Uiteindelijk verbrandt Elissa/Dido zichzelf op een brandstapel. Sommige geleerden verbinden deze en andere gevallen van zelfverbranding in historische verslagen van Carthaagse generaals met tofet-rituelen. [22] Josephine Crawley Quinn heeft geopperd dat de mythe van de gebroeders Philaeni in Libië zijn wortels had in de Punische mythe en Carolina López-Ruiz heeft soortgelijke argumenten aangevoerd voor het verhaal van Gargoris en Habis in Tartessus. [23] [24]

Priesterschap bewerken

De Carthagers lijken zowel parttime als fulltime priesters te hebben gehad, de laatste genaamd khnm (enkelvoud khn, verwant aan de Hebreeuwse term kohen), geleid door hogepriesters genaamd rb khnm. Lagere religieuze functionarissen, verbonden aan specifieke heiligdommen, waren onder meer het 'hoofd van de poortwachters', mensen die 'dienaren' of 'slaven' van het heiligdom werden genoemd (mannelijk: bd, vrouwelijk: bdt of mt), en functionarissen zoals koks, slagers, zangers en kappers. [20] [25] Godinnen kunnen samen aanbeden zijn en dezelfde priesters delen. [26] Een klasse van sektefunctionarissen die bekend staat als de mqm lm (gevocaliseerd) miqim elim, meestal vertaald met "Awakener of the god") was er verantwoordelijk voor dat de stervende en opkomende god Melqart elk jaar terugkeerde om over de stad te waken. [19] [27] Heiligdommen hadden verenigingen, aangeduid als mrzḥ in Punische en Neo-Punische inscripties, die rituele banketten hielden. [25] M'Hamed Hassine Fantar stelt voor dat het de parttime priesters waren, op de een of andere manier aangesteld door de burgerlijke autoriteiten, die religieuze zaken controleerden, terwijl de fulltime priesters primair verantwoordelijk waren voor riten en de interpretatie van mythe. [28] In Carthago was er bijvoorbeeld een raad van dertig personen die de offers regelde. [29] Sommige Fenicische gemeenschappen beoefenden heilige prostitutie in de Punische sfeer. Dit wordt bevestigd in Sicca Veneria (El Kef) in het westen van Tunesië en het heiligdom van Venus Erycina in Eryx in het westen van Sicilië. [25]

Uitvaartpraktijken Bewerken

De begrafenispraktijken van de Carthagers leken erg op die van de Feniciërs in de Levant. Ze omvatten de rituelen rond de verwijdering van de overblijfselen, begrafenisfeesten en voorouderverering. In de graven zijn verschillende grafgiften te vinden, die wijzen op een geloof in een leven na de dood. [30]

Begraafplaatsen bevonden zich buiten nederzettingen. [31] Ze werden vaak symbolisch van hen gescheiden door geografische kenmerken zoals rivieren of valleien. [32] Een korte papyrus gevonden in een graftombe in Tal-Virtù op Malta suggereert een geloof dat de doden een watermassa moesten oversteken om het hiernamaals binnen te gaan. [33] Graven kunnen de vorm aannemen van: fossae (rechthoekige graven uitgehouwen in de aarde of gesteente), pozzi (ondiepe, ronde kuilen) en hypogea (uit de rotsen gehouwen kamers met stenen banken waarop de overledene werd gelegd). Er zijn enkele graven gebouwd, allemaal van vóór de zesde eeuw voor Christus. [34] [35] Graven worden vaak bekroond door kleine grafstèles en baetyls.

Op verschillende tijdstippen beoefenden de Punische mensen zowel crematie als inhumatie. Tot de zesde eeuw vGT was crematie de normale manier om van de doden af ​​te komen. [30] [36] In de zesde eeuw vGT werd crematie bijna volledig vervangen door inhumatie. Daarna werd crematie grotendeels beperkt tot kinderbegrafenissen. [30] [36] Deze verandering wordt soms geassocieerd met de uitbreiding van Carthaagse invloed in de westelijke Middellandse Zee, maar precies hoe en waarom deze verandering plaatsvond is onduidelijk. [36] Rond 300 voor Christus werd crematie weer de norm, vooral op Sardinië en Ibiza. [37] Er zijn crematiekuilen gevonden in Gades in Spanje en Monte Sirai op Sardinië. [38] [39] [40] Na de crematie werden de botten schoongemaakt en gescheiden van de as en vervolgens zorgvuldig in urnen geplaatst voordat ze werden begraven. In Hoya de los Rastros, in de buurt van Ayamonte in Spanje, bijvoorbeeld, werden de botten in hun urnen gerangschikt, zodat de voeten onderaan en de schedel bovenaan waren. [38] [41] Gecremeerde en inhumede resten konden in houten kisten of stenen sarcofagen worden geplaatst. [42] [36] Voorbeelden zijn bekend uit Tharros en Sulci op Sardinië, [43] Lilybaeum op Sicilië, Casa del Obispo in Gades in Spanje, [44] en Carthago en Kerkouane in Tunesië. [38] Voor de begrafenis werd de overledene gezalfd met geparfumeerde hars, [45] rood gekleurd met oker of cinnaber, [46] waarvan archeologisch sporen zijn teruggevonden. [47]

De begrafenis ging gepaard met een feest op het kerkhof. [48] ​​Dit banket, genaamd a mrz, wordt getuigd van inscripties uit de vierde en derde eeuw voor Christus, maar is in eerdere perioden in de Levant bekend. De aanwezigen versierden een altaar en offerden een dier dat ze vervolgens aten. [48] ​​De feesten omvatten de consumptie van wijn, [48] die mogelijk symbolische banden heeft gehad met bloed, de vruchtbaarheid van de aarde en nieuw leven, net als voor andere mediterrane volkeren. [49] Aan het einde van het feest werd het servies stukgeslagen of begraven om het ritueel te doden. [48] ​​[50] Begraafplaatsen omvatten ruimten en apparatuur voor voedselbereiding. [48] ​​Het feest heeft mogelijk een rol gespeeld bij het bepalen van de erfenis en zou symbool kunnen staan ​​voor de blijvende band tussen de overledene en hun nabestaanden. [48] ​​Deze begrafenisfeesten werden met regelmatige tussenpozen herhaald als onderdeel van een cultus van de voorouders (genaamd rpʼm, verwant aan het Hebreeuws rephaim). In Neo-Punische teksten wordt de rpʼm worden gelijkgesteld met het Latijn Manes. [51] Bij Monte Sirai op Sardinië waren er onder meer amforen in de graven om de plengoffers die bij deze gelegenheden werden aangeboden, naar de tombe te leiden. [52] De grafstèles en baetyls die bovenop graven zijn gebouwd, die vaak zijn gegraveerd met de naam van de overledene en zijn geantropomorfiseerd, waren mogelijk bedoeld als focus voor de aanbidding van de overledene binnen de context van deze vooroudercultus. [53] Kleine stenen altaren werden gevonden op de begraafplaatsen van Palermo en Lilybaeum op Sicilië en zijn afgebeeld op grafstenen op Sardinië en Sicilië. Het lijkt erop dat er vuren bovenop werden aangestoken als onderdeel van zuiveringsrituelen. [54] [55]

Bij de overledene wordt een reeks grafgiften gevonden die bedoeld lijken te zijn om de overledene te beschermen en symbolisch te voeden. [56] Deze verschillen niet significant op basis van het geslacht of de leeftijd van de overledene. [57] Grafoffers kunnen gebeeldhouwde maskers [20] en amuletten zijn, vooral het oog van Horus (wadjet) en kleine glazen apotropaic koppen (protomen), die bedoeld waren om de overledene te beschermen. [58] Het aanbieden van eten en drinken was waarschijnlijk bedoeld om de overledene in het hiernamaals te voeden. [19] [31] Ze gingen vaak vergezeld van een gestandaardiseerde set feestbenodigdheden voor de overledene, bestaande uit twee kannen, een drinkschaal en een olielamp. [42] [59] Olie en parfum kunnen bedoeld zijn geweest om de overledene van warmte en licht te voorzien. [60] Kippen en hun eieren waren bijzonder frequente offers en kunnen in het Punische denken de opstanding van de ziel of de overgang naar het hiernamaals hebben vertegenwoordigd. [42] [61] Scheermessen, achtergelaten naast het hoofd van de overledene, kunnen erop wijzen dat het lijk voor de begrafenis was geschoren of dat de priesters in de dood zouden blijven scheren zoals ze dat in hun leven hadden gedaan. [47] [62] Bronzen cimbalen en bellen die in sommige graven worden gevonden, kunnen afkomstig zijn van liederen en muziek die op de begrafenis van de overledene werden gespeeld - misschien bedoeld om kwade geesten af ​​te weren. Terracotta beeldjes van muzikanten zijn gevonden in graven, en afbeeldingen van hen werden gesneden op grafstèles en op scheermessen die in het graf waren gedeponeerd. Bijna al deze muzikanten zijn vrouwelijk, wat suggereert dat vrouwen een bijzondere rol speelden in dit deel van de begrafenis. De meeste spelen drums, kithara of aulos. [63] [64]

Offer en toewijdingen

Dieren en andere kostbaarheden werden geofferd om de goden gunstig te stemmen. Dergelijke offers moesten worden gedaan volgens strikte specificaties, [19] die worden beschreven op negen overgebleven inscripties die bekend staan ​​als 'offertarieven'. [25] De langste hiervan is KAI 69, bekend als het Marseille-tarief, naar de vindplaats, die waarschijnlijk oorspronkelijk in Carthago stond. Het somt de offeranden op waar de priesters van een tempel van Baal Saphon recht op hadden. De andere offertarieven zijn: GOS I.165, 167-170, 3915-3917, allemaal gevonden in Noord-Afrika. Deze tarieven zijn vergelijkbaar met een paar tariefinscripties uit de vijfde eeuw voor Christus, gevonden in de Fenicische stad Kition op Cyprus. Ze delen ook enkele terminologie en formules met Ugaritische en Bijbels Hebreeuwse teksten over offeren. Er is ook een lijst met festivalaanbiedingen, GOS I.166 en vele korte votiefinscripties, meestal geassocieerd met de tofeten. [65] Veel van deze tofet-inscripties verwijzen naar het offerritueel als mlk (gevocaliseerd) mulk of molk), die sommige geleerden in verband brengen met de bijbelse Moloch. [66] [67] Votiefinscripties worden ook in andere contexten gevonden. Een lange inscriptie op een bronzen beeldje uit de achtste eeuw v.Chr. gevonden in Sevilla wijdt het aan Athtart (KAI 5 294). [68] Een inscriptie uit de vijfde eeuw voor Christus (KAI 72) van Ebusus vermeldt de inwijding van een tempel, eerst aan Rašap-Melqart, en vervolgens aan Tinnit en Gad door een priester die stelt dat het proces het afleggen van een gelofte inhield. [69] Een stèle opgericht in Carthago in het midden van de tweede eeuw voor Christus door een vrouw genaamd Abibaal, toont het offer van een koeienkop door op een altaar te branden. De details van de afbeelding tonen continuïteit met veel eerdere offerrituelen in het Nabije Oosten. [70]

Op archeologische vondsten lijken ook plengoffers en wierook een belangrijk onderdeel van de offers te zijn geweest. [71] Een gebruik dat in Byblos werd bevestigd door de Griekse auteur Lucian van Samosata dat degenen die offerden aan Melqart hun hoofd moesten scheren, kan de rituele scheermessen verklaren die in veel Carthaagse graven worden gevonden. [62]

Tophets en kinderoffers

Verschillende Griekse en Romeinse bronnen beschrijven en bekritiseren de Carthagers omdat ze zich bezighielden met het offeren van kinderen door middel van verbranding. [12] Klassieke schrijvers die een versie van het offeren van kinderen aan "Cronos" (Baal Hammon) beschrijven, zijn onder meer de Griekse historici Diodorus Siculus en Cleitarchus, evenals de christelijke apologeten Tertullianus en Orosius. [72] [73] Deze beschrijvingen werden vergeleken met die in de Hebreeuwse Bijbel die het offeren van kinderen beschrijven door te verbranden voor Baäl en Moloch op een plaats genaamd Tophet. [72] De oude beschrijvingen werden schijnbaar bevestigd door de ontdekking van de zogenaamde "Tophet van Salammbô" in Carthago in 1921, die de urnen van gecremeerde kinderen bevatte. [74] Moderne historici en archeologen debatteren echter over de realiteit en omvang van deze praktijk. [75] [76] Sommige geleerden stellen voor dat alle overblijfselen aan de tofet werden geofferd, terwijl anderen stellen dat slechts enkele dat waren. [77]

Archeologisch bewijs

Het specifieke soort openluchtheiligdom dat in de moderne wetenschap als een tofet wordt beschreven, is uniek voor de Punische gemeenschappen van de westelijke Middellandse Zee. [78] Meer dan 100 tofeten zijn gevonden in het westelijke Middellandse Zeegebied, [79] maar zijn afwezig in Spanje. [80] De grootste ontdekte tofet was de tofet van Salammbô in Carthago. [74] De Tophet van Salammbô lijkt te dateren uit de tijd van de oprichting van de stad en bleef in gebruik gedurende ten minste enkele decennia na de verwoesting van de stad in 146 vGT. [81] Er zijn geen Carthaagse teksten bewaard gebleven die zouden verklaren of beschrijven welke rituelen bij de tofet werden uitgevoerd. [80] Wanneer Carthaagse inscripties naar deze locaties verwijzen, worden ze aangeduid als bt (tempel of heiligdom), of qdš (heiligdom), niet Tophets. Dit is hetzelfde woord dat wordt gebruikt voor tempels in het algemeen. [82] [79]

Voor zover het archeologische bewijs onthult, begon het typische ritueel op de Tophet - dat echter veel variatie vertoont - met het begraven van een kleine urn met de as van een kind, soms vermengd met of vervangen door die van een dier, waarna een stele, typisch gewijd aan Baal Hammon en soms werd Tanit opgericht. In enkele gevallen werd er ook een kapel gebouwd. [83] Een ongelijkmatige verbranding op de botten wijst erop dat ze op een open luchtbrandstapel zijn verbrand. [84] De dode kinderen worden nooit vermeld op de inscripties op de stèle, alleen de inwijdingen en dat de goden hun een of ander verzoek hadden ingewilligd. [85]

Terwijl tofeten buiten gebruik vielen na de val van Carthago op eilanden die voorheen door Carthago werden gecontroleerd, kwamen ze in Noord-Afrika vaker voor in de Romeinse tijd. [86] Naast baby's bevatten sommige van deze tofeten alleen offers van geiten, schapen, vogels of planten. Veel van de aanbidders hebben Libische in plaats van Punische namen. [86] Het gebruik ervan lijkt in de tweede en derde eeuw na Christus te zijn afgenomen. [87]

Controverse Bewerken

De mate en het bestaan ​​van Carthaagse kinderoffers is controversieel, en is dat al sinds de ontdekking van de Tophet van Salammbô in 1920. [88] Sommige historici hebben voorgesteld dat de Tophet een begraafplaats kan zijn geweest voor premature of kortlevende zuigelingen die een natuurlijke dood stierven en werden vervolgens ritueel aangeboden. [76] De Grieks-Romeinse auteurs waren geen ooggetuigen, spreken elkaar tegen over de manier waarop de kinderen werden gedood, en beschrijven kinderen die ouder zijn dan zuigelingen die worden gedood in tegenstelling tot de zuigelingen die in de tofeten worden gevonden. [74] Verslagen zoals die van Cleitarchus, waarin de baby door een standbeeld in het vuur viel, worden tegengesproken door archeologisch bewijs. [89] Er zijn geen vermeldingen van kinderoffers uit de Punische oorlogen, die beter gedocumenteerd zijn dan de eerdere perioden waarin massale kinderoffers worden geclaimd. [74] Het offeren van kinderen is misschien te veel benadrukt voor het effect nadat de Romeinen Carthago uiteindelijk hadden verslagen en de stad volledig hadden verwoest. Ze waren betrokken bij naoorlogse propaganda om hun aartsvijanden wreed en minder beschaafd te laten lijken. [90] Matthew McCarty argues that, even if the Greco-Roman testimonies are inaccurate "even the most fantastical slanders rely upon a germ of fact." [89]

Many archaeologists argue that the ancient authors and the evidence of the Tophet indicates that all remains in the Tophet must have been sacrificed. Others argue that only some infants were sacrificed. [77] Paolo Xella argues that the weight of classical and biblical sources indicate that the sacrifices occurred. [91] He further argues that the number of children in the tophet is far smaller than the rate of natural infant mortality. [92] In Xella's estimation, prenatal remains at the tophet are probably those of children who were promised to be sacrificed but died before birth, but who were nevertheless offered as a sacrifice in fulfillment of a vow. [93] He concludes that the child sacrifice was probably done as a last resort and probably frequently involved the substitution of an animal for the child. [94]


Sanctuary of Tophet

Originally dedicated to the deities Baal Hammon and Tanit, this Carthaginian sacrificial site and burial ground is dotted with stubby stelae engraved with simple geometric shapes and symbols. When the site was excavated by a French team of archaeologists in 1921, more than 20,000 urns, each containing the ashes of a child (mostly newborn, but also children up to age four), were found under the stelae. Wandering through the site is a haunting experience.

The name Tophet is Hebrew for ‘place of burning’ and comes from Bible references to child sacrifice, such as in Jeremiah: '[the people of Judah] have built the altar called Tophet…and there they burn to death their little sons and daughters'.

While ancient sources are unequivocal about the Carthaginians’ practice of child sacrifice, there are various other interpretations as to what may have actually taken place. The Romans, despite their righteous horror, can’t have been too spooked, as they built workshops, warehouses and a temple over the site.


Athene, Griekenland

No doubt, Athens has played a fundamental role in shaping the Western world into what it is today. By 1400 BC the city was already prominent in the ancient world. It has actually been inhabited for over 7000 years. A city-state of the once-burgeoning ancient Greece, Athens played a critical role in shaping philosophy, drama, literature, and science.

Its central location made it a hotbed for cultural interchange and commerce. Athens is home to many awe-inspiring ruins like the Parthenon and The Temple of Olympian Zeus. Athens still serves as a bustling metropolis and is known for its culture, arts, media, entertainment, commerce, and finance.


VOICES: THE SANCTUARY OF TOPHET BY BOBBY FRESH

History has a way of repeating itself in parallel. Our ancestors, post-slavery, were taught to grin and bear it. Smile boy, life is good, you could still be in chains. Our forefathers’ spirits were broken and sacrificed. This trauma has been passed down through cellular memory.

The dilution of this plight came in time. Malcolm X, MLK, Angela Davis, etc., as time went on the people caught up with the leaders. The perfect storm has now commenced (COVID-19, police brutality, unemployment, the ubiquity of white supremacy, etc.) and wij are not our ancestors, yet we are powered by them.

Our generation was born into Public Enemy’s “Fight The Power” (and moved) to Kendrick Lamar’s “Alright.” We have experienced the 1992 LA riots and moved) to the marches in Ferguson. We’ve tried the nice guy approach. Niet meer. We no longer just demand equality – we will take it.

In the Information Age, we are equipped with the truth behind the whitewashed history we were forced fed. We are armed with limitless power, and, now, we realize our power. We have no sympathy for those who are not allies. We no longer need sympathy. Our people are no longer sacrifices to build your economy – to reassure your shortcomings. There will be no more smiling masks.

Wat verwacht je? If we were treated as equals (from the beginning) – we wouldn’t react like the oppressed.


Inhoud

Heiligdom is a word derived from the Latin sanctuarium, which is, like most words ending in -arium, a container for keeping something in—in this case holy things or perhaps cherished people (sanctae/sancti). The meaning was extended to places of holiness or safety, in particular the whole demarcated area, often many acres, surrounding a Greek or Roman temple the original terms for these are temenos in Greek and fanum in Latin, but both may be translated as "sanctuary". Similar usage may be sometimes found describing sacred areas in other religions. In Christian churches sanctuary has a specific meaning, covering part of the interior, covered below.

Sanctuary as area around the altar Edit

In many Western Christian traditions including Catholic, Lutheran, Methodist, and Anglican churches, the area around the altar is called the sanctuary it is also considered holy because of the physical presence of God in the Eucharist, both during the Mass and in the church tabernacle the rest of the time.

In many churches the architectural term chancel covers the same area as the sanctuary, and either term may be used. [1] In some Protestant churches, the term sanctuary denotes the entire worship area while the term chancel is used to refer to the area around the altar-table.

In many Western traditions altar rails sometimes mark the edge of the sanctuary or chancel. In the Eastern Orthodox Church, Eastern Catholic Churches of Syro-Malabar Church, Byzantine rite and Coptic Orthodox Churches, the sanctuary is separated from the nave (where worshippers pray) by an iconostasis, literally a wall of icons, with three doors in it. In other Oriental Orthodox traditions, a sanctuary curtain is used.

The terminology that applies the word sanctuary to the area around the altar does not apply to Christian churches alone: King Solomon's temple, built in about 950 BC, had a sanctuary ("Holy of Holies") where the Ark of the Covenant was, and the term applies to the corresponding part of any house of worship. In most modern synagogues, the main room for prayer is known as the sanctuary, to contrast it with smaller rooms dedicated to various other services and functions. (There is a raised bimah in the sanctuary, from which services are conducted, which is where the ark holding the Torah may reside some synagogues, however, have a separate bimah and ark-platform.)

Sanctuary as a sacred place Edit

In Europe, Christian churches were sometimes built on land considered to be a particularly holy spot, perhaps where a miracle or martyrdom was believed to have taken place or where a holy person was buried. Examples are St. Peter's Basilica in Rome and St. Albans Cathedral in England, which commemorate the martyrdom of Saint Peter (the first Pope) and Saint Alban (the first Christian martyr in Britain), respectively.

The place, and therefore the church built there, was considered to have been sanctified (made holy) by what happened there. In modern times, the Catholic Church has continued this practice by placing in the altar of each church, when it is consecrated for use, a box (the sepulcrum) containing relics of a saint. The relics box is removed when the church is taken out of use as a church. In the Eastern Orthodox Church, the antimension on the altar serves a similar function. It is a cloth icon of Christ's body taken down from the cross, and typically has the relics of a saint sewn into it. In addition, it is signed by the parish's bishop, and represents his authorization and blessing for the Eucharist to be celebrated on that altar.

Traditions of Sanctuary Edit

Although the word "sanctuary" is often traced back only as far as the Greek and Roman empires, the concept itself has likely been part of human cultures for thousands of years. The idea that persecuted persons should be given a place of refuge is ancient, perhaps even primordial, deriving itself from basic features of human altruism. In studying the concept across many cultures and times, anthropologists have found sanctuary to be a highly universal notion, one which appears in almost all major religious traditions and in a variety of diverse geographies. "Cities of refuge" as described by the Book of Numbers and Deuteronomy in the Old Testament, as well as the Bedouin idea of nazaala, or the "taking of refuge," indicate a strong tradition of sanctuary in the Middle East and Northern Africa. In the Americas, many native tribes shared similar practices, particularly in the face of invading European powers. Despite tensions between groups, many tribes still offered and received sanctuary, taking in those who had fled their tribal lands or feared persecution by the Spanish, English, and French. [2]

Legal sanctuary Edit

In the classical world, some (but not all) temples offered sanctuary to criminals or runaway slaves. [3] When referring to prosecution of crimes, sanctuary can mean one of the following:

Right of asylum Edit

Many ancient peoples recognised a religious right of asylum, protecting criminals (or those accused of crime) from legal action and from exile to some extent. This principle was adopted by the early Christian church, and various rules developed for what the person had to do to qualify for protection and just how much protection it was.

In England, King Æthelberht made the first laws regulating sanctuary in about AD 600, though Geoffrey of Monmouth in his Historia Regum Britanniae (c. 1136) says that the legendary pre-Saxon king Dunvallo Molmutius (4th/5th century BC) enacted sanctuary laws in the Molmutine Laws as recorded by Gildas (c. 500–570). [6] By Norman times, there had come to be two kinds of sanctuary: All churches had the lower-level kind, but only the churches the king licensed had the broader version. The medieval system of asylum was finally abolished entirely in England by James I in 1623. [7]

Political asylum Edit

During the Wars of the Roses of the 15th century when the Lancastrians or Yorkists would suddenly gain the upper hand by winning a battle, some adherents of the losing side might find themselves surrounded by adherents of the winning side and unable to return to their own side, so they would rush to sanctuary at the nearest church until it was safe to leave it. A prime example is Queen Elizabeth Woodville, consort of Edward IV of England.

In 1470, when the Lancastrians briefly restored Henry VI to the throne, Edward's queen was living in London with several young daughters. She moved with them into Westminster Abbey for sanctuary, living there in royal comfort until Edward was restored to the throne in 1471 and giving birth to their first son Edward during that time. When King Edward IV died in 1483, Elizabeth (who was highly unpopular with even the Yorkists and probably did need protection) took her five daughters and youngest son (Richard, Duke of York Prince Edward had his own household by then) and again moved into sanctuary at Westminster Abbey. She had all the comforts of home she brought so much furniture and so many chests that the workmen had to break holes in some of the walls to move everything in fast enough to suit her. [ citaat nodig ]

In the 20th century, during World War I, all of Russia's Allies made the controversial decision in 1917 to deny political sanctuary to Tsar Nicholas II Romanov and his immediate family when he was overthrown in that year's February Revolution because of his abuses of power and forced to abdicate in March in favor of Alexander Kerensky's Russian Provisional Government. Nicholas and his family and remaining household were sent to Tobolsk, Siberia that summer while Kerensky kept Russia in the war when it couldn't win, enabling Lenin and his Bolsheviks to gain the Russian people's support in overthrowing Kerensky in that year's October Revolution. The Russian Civil War started that November and in July, 1918, with Lenin losing the civil war, Nicholas and his family were executed on Lenin's orders while confined to the Ipatiev House in Yekaterenburg. In 1939, months before World War II began, 937 Jewish refugees from Nazi Germany on board the MS St. Louis met the same fate, first by Cuba—their original destination—and afterwards by the United States and Canada. As a result, 620 of them were forced back to Europe, where 254 of them died in Nazi concentration camps during the war. This incident was the subject of Gordon Thomas' and Max Morgan-Witts' 1974 novel, Voyage of the Damned and its 1976 movie adaptation. In 1970, Simonas Kudirka was denied U.S. sanctuary when he attempted to defect from the then-Soviet Union by jumping from his "mother ship", 'Sovetskaya Litva', onto the USCGC Vigilant when it was sailing from New Bedford while Kudirka's ship was anchored at Martha's Vineyard. Kudrika was accused of stealing 3,000 rubles from Sovetskaya Litva's safe and when the U.S. State Department failed to help him, Kudrika was sent back to the Soviet Union, where he was convicted of treason and sentenced to ten years of hard labor but because Kudirka could claim American citizenship through his mother, he was allowed to return to the United States in 1974. His plight was the subject of Algis Ruksenas' 1973 book Day of Shame: The Truth About The Murderous Happenings Aboard the Cutter Vigilant During the Russian-American Confrontation off Martha's Vineyard and the 1978 TV movie The Defection of Simas Kudirka, starring Alan Arkin. Ten years later, Ukrainian youth, Walter Polovchak, became a cause célèbre in the 1980s because of his request in 1980 at age 12 to remain in the United States permanently after announcing that he didn't want to return with his parents to what was then Soviet Ukraine, and was the subject of a five-year struggle between U.S. and Soviet courts over his fate, which was decided in his favor in 1985 when Walter turned 18 that October 3 and was no longer a juvenile and thus no longer required to return to his parents if he didn't want to. Later in the 1980s, Estonian national and alleged Nazi war criminal, Karl Linnas, was the target of several sanctuary denials outside the United States before he was finally returned in 1987 to the then-USSR to face a highly likely death penalty for alleged war crimes that he was convicted of in 1962 (see Holocaust trials in Soviet Estonia). Linnas died of a heart attack in a Leningrad prison hospital on July 2, 1987 while waiting for a possible retrial in Gorbachevian courts, 25 years after Khrushchevian courts convicted him in absentia.

Sanctuary versus asylum Edit

The concepts of sanctuary and asylum are defined very similarly at their most basic level. Both terms involve the granting of safety or protection from some type of danger, often implied to be a persecuting, oppressive power. The divergence between these terms stems primarily from their societal associations and legal standing while asylum understood in its political sense implies legally-binding protection on the part of a state entity, sanctuary often takes the form of moral and ethical activism that calls into question decisions made by the institutions in power. [8]

In many instances, sanctuary is not incorporated into the law, but operated in defiance of it. Efforts to create sanctuary for the persecuted or oppressed are often undertaken by organizations, religious or otherwise, who work outside of mainstream avenues to ameliorate what they see as deficiencies in existing policy. Though these attempts to provide sanctuary have no legal standing, they can be effective in catalyzing change at community, local, and even regional levels. Sanctuary can also be integrated into these levels of government through "Sanctuary bills," which designate cities and sometimes states as safe spaces for immigrants deemed "illegal" by the federal government. These bills work to limit the cooperation of local and regional governments with the national government's efforts to enforce immigration law. In recognition of their progressiveness and boldness in the face of perceived injustice, "Sanctuary bills" are commonly referred to as "activist law." [9]

Sanctuary in contemporary society Edit

For the last few centuries, it has become less common to invoke sanctuary as a means of protecting persecuted peoples. Yet, the 1980s saw a massive resurgence of cases as part of the U.S.-Central American sanctuary movement. This resurgence was part of a broader anti-war movement that emerged to protest U.S. foreign policy in Central America. The movement grew out of the sanctuary practices of political and religious organizations in both the United States and Central America. It was initially sparked by immigrant rights organizations in well-established Central American communities. These organizations first opposed U.S. foreign policy in Central America and then shifted towards aiding an ever-increasing number of Central Americans refugees. Working in tandem, immigrant rights organizations and churches created many new organizations that provided housing and legal services for newly arrived immigrants.These organizations also advocated for the creation of sanctuary spaces for those fleeing war and oppression in their home countries. By 1987, 440 cities in the United States had been declared "sanctuary cities" open to migrants from civil wars in Central America. [10]

The immigrant-religious organization partnerships of the sanctuary movement remain active, providing essential services to immigrant populations. Particularly notable in recent years is their legal and advocacy work. By providing legal representation to asylum seekers who may not be able to afford it, these organizations give their clients a better chance of winning their respective cases. As of 2008, detained asylum seekers with legal representation were six times more likely to win their cases for asylum, and non-detained asylum seekers with representation were almost three times more likely to win asylum compared with those without it. [2] The pro bono legal services provided by these organizations also work to alleviate stress on an adjudication system that is already overloaded with cases—a 2014 study of the system showed that about 250 asylum officers at any one time are tasked with interviewing an average of 28,000 asylum seekers. [11] These sanctuary-based organizations also engage in larger-scale advocacy work that allows them to reach immigrant populations beyond the communities they work in. According to a study done by the "New Sanctuary Movement" organization, at least 600,000 people in the United States have at least one family member in danger of deportation. [12] Legislative and judicial advocacy work at the regional and even national level allows organizations to support this group of people by influencing policy.

From the 1980s continuing into the 2000s, there also have been instances of immigrant rights organizations and churches providing "sanctuary" for short periods to migrants facing deportation in Germany, France, Belgium, the Netherlands, Norway, Switzerland, Australia and Canada, among other nations. In 2007, Iranian refugee Shahla Valadi was granted asylum in Norway after spending seven years in church sanctuary after the initial denial of asylum. [13] From 1983 to 2003 Canada experienced 36 sanctuary incidents. [14] In 2016, an Icelandic church declared that they would harbor two failed asylum seekers who violated the Dublin Regulation, and police removed them for deportation, as ecclesiastical immunity has no legal standing. [15]

When referring to a shelter from danger or hardship, sanctuary can mean one of the following:

Shelter sanctuary A place offering protection and safety a shelter, typically used by displaced persons, refugees, and homeless people.

The term "sanctuary" has further come to be applied to any space set aside for private use in which others are not supposed to intrude, such as a "man cave".

Animal sanctuary Edit

An animal sanctuary is a facility where animals are brought to live and be protected for the rest of their lives. Unlike animal shelters, sanctuaries do not seek to place animals with individuals or groups, instead maintaining each animal until its natural death.

Plant sanctuary Edit

Plant sanctuaries are areas set aside to maintain functioning natural ecosystems, to act as refuges for species and to maintain ecological processes that cannot survive in most intensely managed landscapes and seascapes. Protected areas act as benchmarks against which we understand human interactions with the natural world.


Inhoud

The name is possibly derived from the Hebrew toph = drum, because drums were used to drown the cries of children, but possibly connected with a root word meaning “burning” - the "place of burning". In the King James Version, the form Tophet is used, except in 2 Kings 23:10, where it spelt Topheth.

The following references are made in the Hebrew Bible: “They have built the high places of Topheth, which is in the valley of the son of Hinnom, to burn their sons and their daughters in the fire” (Jeremiah 7:31). On account of this abomination Topheth and the Valley of Hinnom should be called "The Valley of Slaughter: for they shall bury in Topheth, till there be no place to bury," the Revised Version margin “because there shall be no place else” ( Jeremiah 7:32 ) see also Jer 19:6 , 19:12-14. Josiah is said to have “defiled Topheth” as part of his great religious reforms ( 2 Kings 23:10 ). The site would seem to have been either at the lower end of the Valley of Hinnom, near where Akeldama is now pointed out, or in the open ground where this valley joins the Kidron Valley.


The History of the Sanctuary

The sanctuary of Poseidon at Onchestos provides a setting for some of the most ancient events described in Greek myth. Already in Homer’s Iliad—in the famous Catalogue of Ships—Onchestos is referred to as Poseidon’s “bright grove.” In the sixth-century Homerische hymne aan Apollo, the titular god is said to have sojourned at his uncle’s sacred grove on his way to found his own sanctuary at Delphi. Volgens de Hymn to Hermes, Apollo would pass again through this “lovely grove and sacred place of the loud-roaring Holder of the Earth [Poseidon]” in pursuit of his baby brother, Hermes, who had stolen his cattle. Other stories speak of an eponymous hero, one Onchestos, son of Athamas, who founded the sanctuary, as well as an early association with the royal house of Orchomenos, the powerful Mycenaean center situated to the sanctuary’s northwest. It was near Onchestos, at the Teneric plain, where Herakles fought Orchomenian troops who were advancing toward Haliartos, the city directly to the sanctuary’s west.

Archaeological evidence attests to the sanctuary’s prosperity in the sixth and fifth centuries BCE. Throughout this time, it was probably under the control of Thebes, one of the most prominent cities in the ancient region of Boeotia and located to the east of the sanctuary. A major religious festival, complemented by athletic competitions, was already being held at the sanctuary in the sixth century BCE. The fifth-century poet Pindar refers to the “celebrated victories with swift-footed horses” during these competitions. In the second half of the fourth century, the sanctuary became the religious center of the Boeotian Confederation (Koinon). After the destruction of Thebes in 335 BCE, if not earlier, the cult site came under the control of Haliartos. Architectural remains attest to an expansion of the sanctuary grounds. Among the archaeological evidence are proxeny decrees that reveal the bestowment of ambassador duties upon certain individuals and small bronze and lead tokens that were evidently used for the casting of votes.

Onchestos’ fortunes changed, however, as the Romans extended their hold over mainland Greece. The sanctuary was probably sacked alongside Haliartos in 171 BCE when the city sided with Rome’s opponents in the Third Macedonian War. Archaeological evidence suggests that the sanctuary might have continued to function in some capacity long after the Roman conquest of Greece in 146 BCE and the subsequent dissolution of the Boeotian League. Literary sources, on the other hand, provide contradictory information about the state of the sanctuary: the Greek geographer and historian Strabo, writing in the early first century CE, claims that Poseidon’s sacred grove was “devoid of trees” although the temple of Poseidon was standing. Meanwhile, over a century later, the Greek traveler Pausanias would write that he was able to see Poseidon’s temple, cult image, and grove. As for the late Roman and Byzantine eras (third century CE onwards), the archaeological record attests so far only to agricultural activity on the site.


Inhoud

The Sanctuary, officially called the “Santuario de Dios y de la Patria” (Sanctuary of God and Country), [2] but is better known as the Sanctuary of Jesús Nazareno de Atotonilco. [3] It is located in the small, rural community of Atotonilco, which had a population in 2005 of 597. Today, this community is formally known as the Santuario de Atotonilco and is part of a World Heritage Site (2008) along with the historic center of San Miguel de Allende. [4]

Atotonilco is located fourteen km outside the town of San Miguel de Allende in an area that is a combination of dry grassland and desert studded with thistles, sweet acacia and mesquite trees. [5] The appearance of the landscape has been compared to that of Jerusalem, which gives believers a connection to the Holy Land. [6] The area also has a large number of thermal and fresh water springs. When the sanctuary was built, there were 27 fresh water springs to support gardens around the complex. [5] Today, thermal waters still rise up from the ground only one km from the sanctuary, and another spring at the community entrance has been covered by an artificial cave and is used as a spa called Balneario La Gruta. [7]

On the outside the church complex is very plain with high walls that give it a fortress appearance. The outer walls are about ten meters high the cupolas reach twelve meters and the clock tower is about twenty meters high. [8] The main entrance is also simple under a “mixtilineo” arch that faces east, towards Jerusalem, giving the entire complex an east-west orientation. [9] [10] To the south along the main facade is the Casa de Ejercicios and the clock tower. To the north is Santa Escuela de Cristo. In front of the main facade is a narrow atrium, which was once used as a cemetery. Today, it is shaded by trees and surrounded by a small fence. The main church is a single nave without a cupola, lined on the north and south flanks by chapels and chambers. [10] On the north side of the nave, there are the new sacristy, the Rosary Chapel, the chambers of Father Neri, the Belen Chapel/Baptistery and the Reliquary Room. On the south side, there are the Santisimo Chapel, the Soledad Chapel, the Loreto Chapel with its back chamber, the Gloria Escondida Chamber and the Santo Sepulcro Chapel with the Calvario Chapel behind it. [11]

Interieur bewerken

The walls and ceilings of the interior are nearly entirely covered in mural work, sculpture, inscriptions and oil paintings in a style called Mexican folk Baroque, although indigenous influence can be seen. The only exception to this are the Neoclassical altars which were installed later. [10] Most of the mural work was done by Antonio Martínez de Pocasangre with some done by José María Barajas over a period of thirty years with almost no free space left among the numerous images. [12] The style of the painting imitates Flemish painting which was known through Belgian prints that the Spanish brought over from Europe. [4] This mural work has led the complex to be called the “Sistine Chapel of America ” or the “Sistine Chapel of Mexico.” [10] [13]

The story of Jesus’s ministry and death according to the Gospels is told along the main nave of the church, especially along the ceiling. [14] At the entrance area, there are images related to the Last Judgment. In the highest part, Jesus appears crowned and with a cape carrying a cross, and blessing certain chosen people with his right hand. On the left side, are the "damned", tied up, with their faces showing their agony, large ears and horns. The entrance is divided by a wood screen to block the light with two doors in front and one door on each side. The screen is made of square blocks, each one painted with allegories, Biblical passages and an image of saints. [12]

As the visitor moves along the nave towards the main altar, the ceiling is divided into sections by arches. These arches contain verses written by Father Neri which relate to the scene painted on each vault. The images begin with the upper choir with a scene containing Jesus with the Mary who receives a blessing. Another scene has Jesus praying in Gethsemane, receiving comfort from an angel. Another scene has Judas Iscariot with a devil on his back, followed by soldiers, Judas betrays Jesus with a kiss. In the fourth scene, Peter attacks Malchus with a sword, cutting off an ear, and then Jesus replaces the ear. The north wall features the Baptism of Jesus in the Jordan River, accompanied by John the Baptist. [15]

In the next section there is a representation of Jesus in the house of Caiaphas. Seventy two judges try Jesus with Pontius Pilate on the side in the balcony. On the north side, Pilate appears again but the Jewish judges stay outside the Roman magistrate's house because they are observing Passover. The south side presents Pilate presenting Jesus and Barabbas and asking to choose whom to release. On the east side is a scene with Jesus being flogged while tied to a post. On the south wall, there is a Neoclassical altarpiece of stone with gold leaf. This contains an image of Christ tied to a post and bearing the marks of being flogged. This is called the Señor de la Columna. [16]

Next are verses from the Gospels of Matthew, Mark, and John referring to Jesus after he was flogged by soldiers. Another section shows the Virgin Mary, Mary Magdalene and Mary of Clopas watching the punishment of Jesus from afar. Christ then receives the cross. [17] The next section shows Jesus on his knees with Simon of Cyrene carrying the cross and followed by a large crowd and soldiers. Saint Veronica appears in front of Christ, wiping his face with a cloth. The north and south segments show the falls Jesus suffered while carrying the cross while the three Marys look on. [18]

At the presbytery section, at the location of the main altar, can be found a depiction of Palm Sunday, the crucifixion, and death of Jesus. The main altarpiece was made between 1812 and 1820. It contains the image of Jesus of Nazareth, which was placed there by Father Neri in 1748. This sculpture is made of wood and dressed with a cloth tunic. The face is typical for this kind of image of the 18th century and comes from Seville, Spain . [14] [18]

The line along the ceiling of the nave is supposed to trace the path from sin and Hell to the “glory of God’s presence.” [14] This glory is depicted in a chamber which is located behind the main altar called the Camarín de la Gloria (Chamber of Glory) or Camarín de los Santos Apóstoles (Chamber of the Holy Apostles), which was built between 1740 and 1748, during the first phase of construction. Here is the culmination of the story told by the ceiling murals of the main nave: the Resurrection of Jesus after his Crucifixion. This chamber is circular topped with a dome with the light from the Intern at the top representing the Glory of God. From this fall flames representing the Holy Spirit and in a circular hierarchy down the dome are angels, musicians, and representing the celestial chorus at the bottom of the dome are statues of the Apostles, along with the Virgin Mary as Queen of the Apostles. Above each statue is a shell-shaped medallion representing their martyrdom. Below this are the various sainted founders of Catholic monastic orders such as Augustine of Hippo, Francis of Assisi and Saint Dominic. [19]

On the north side of the nave, there are two chapels with mural work and other decorations. The Belén (Bethlehem) Chapel is dedicated to the birth of Jesus. It was constructed between 1759 and 1763, but the altar is a Neoclassic design dating from the 19th century. It contains medallions painted in oils. The vault contains a conjunction of angels that sing the arrival of the Messiah, peace, and a group of shepherds who come to adore the child. Both the angels and the shepherds hold up signs with the Apostles' Creed. There is also a scene with the Holy Trinity that accompanies the Virgin Mary who is crowned. On the left, idols fall before the birth of Christ. [20] The Capilla del Rosario or Rosary Chapel was constructed in 1763 and its vault is divided into four triangular segments. The north segment contains a naval battle where galleons, with Spanish and Ottoman coats of arms, fire at each other, referring to the Battle of Lepanto. The Virgin of the Rosary is credited with the Spanish victory. On the south side, there is a ceremony dedicated to the Virgin Mary in Rome, presided over by Pope Pius V. The main altar is gilded and contains the image of the Virgin. There are 15 small sections over mirrors with scenes related to the mysteries of the Rosary. On the east and west walls there are images of saints grouped by monastic order. In the interior of the chamber, there are portraits of Father Neri, Esteban Valerio de Alfaro and María Velázquez de Casillta (his parents). By the windows are portraits of Doctor Díaz de Gamarra and Dominican friar Francisco Alonso de Rivera and a self portrait of Pocasangre, who emphasizes his indigenous features. The roof of this inner chamber is in the form of a large shell. Writings such as the Ave Maria, prayers, saints' names and more are inscribed on the ribs of the shell. [21]

Annexes Edit

On the south side there are six annexes of note. The vault of the old sacristy contains scenes from the life of Father Neri and the construction of the Sanctuary. There are also 12 oils on canvas of the Apostles. Prior to the restoration of the Camarín de la Gloria (Chamber of Glory), the oils on canvas covered medallions on the walls. There is also a painting of Anthony of Padua by Juan Correa as well as paintings of a number of important churchmen and more by anonymous painters. Two paintings compare Jerusalem with San Miguel de Allende and the Sanctuary. [22]

The Capilla de Soledad or Chapel of Solitude was built between 1740 and 1748. The main altar contains the Virgin of Sorrows, weeping for the crucified Jesus. On the south wall, there is a sculpture of Saint Peter crying in regret for having denied Jesus. This chapel is the darkest in the complex as the windows let in little light. [23]

The Capilla de Loreto or Loreto Chapel was built in 1754. There is no direct access to this chapel from the main nave of the church it is necessary to enter from the current sacristy or through the Capilla de Soledad. The dimensions and shape of this chapel exactly match the Loreto chapels in the monastery of Tepotzotlán and in the church of San Felipe Neri in San Miguel de Allende. The three chapels are based on the layout of the Chapel of Loreto in Ancona, Italy. One wall is painted with a mural of an angel announcing to Mary her pregnancy. There are also various depictions related to the Virgin and the child Jesus. [24]

The area known as the “La Glora Escondida” or "The Hidden Glory" is located on the north side of the choir area, but it is difficult to access. It is a partially hidden rectangular area. It was decorated by Pocasangre [25] with depictions related to the Final Judgment, Hell and sin. There are not Seven Deadly Sins, but eight represented by eight swords topped with the head of a different animal. The north wall contains a triptych where a dying man is surrounded by a priest, a guardian angel, and several demons vying for his soul. In the end, the demons are defeated. The only window is on the right which shows a scene from the Final Judgment which is based on an engraving by Gustave Doré. On the left side, there are depictions of the torments of Hell. [26]

The Capilla del Santo Sepulcro or Chapel of the Holy Burial was built between 1759 and 1763. The murals here were begun in 1760 and center on the death, burial, and resurrection of Jesus. This area connects the Chapel of the Calvary, which is behind it, by a kind of bridge anchored to the walls. This chapel contains an image of a resuscitated Jesus but still reclined which is notable for the bloody face and the number of precious stones that have been placed on it. These stones have remained despite the various attacks the church has suffered over its history. The roof is trapezoidal decorated with rose windows and four large reliefs of shells. The walls are painted with numerous figures such as Four Evangelists, the Four Fathers of the Church, and a large quantity of angels and cherubs. There are also allusions to the Four Cardinal Virtues, and medallions with scenes of the Resurrection. [27]

The Capilla de Calvario or Calvary Chapel is the largest of the complex and was built between 1763 and 1766. It was also the last that Father Neri had built although he did not live to see its completion. It has a cross layout and is topped with vaults and a cupola. Its decoration is almost purely Mexican Baroque with monumental oil paintings and groups of painted statues that are placed on the floor, walls and ceiling. The columns contain inscriptions of poems written by Father Neri. The three altars contain the best of the sculptures and enclose the transept. These sculptures depict the crucifixion, agony, and descent of Christ after his death. [28] The choir was built between 1759 and 1763. It was originally painted by Pocasangre, but little remains due to subsequent re-paintings and the enclosure of the space when the “Casa de Ejercicios" or meditation room was added. Most of the paintings in this space date from 1867. The area contains a wood organ used to accompany services. [29]

The two parts of the complex which do not connect directly or indirectly to the main nave are the Escuela Santa de Cristo and the Casa de Ejercicios. The Casa de Ejercicios is a prayer and meditation facility which was built according to the principles of Ignatius of Loyola. They are based on a set of spiritual “exercises” designed during the reformation to help Catholics reinforce their faith. This type of building came to Mexico around 1665 and, 100 years later, Father Neri had the casa de ejercicios built. This building is mostly separate from the rest of the complex and is decorated differently. Only inscriptions such as poems appear with the intention of providing meditative help. When Father Neri died, there were 7,541 men who lived and studied there. Today, there are thirty, with 19 being women. However, about 75,000 visit each year. [30]

Since it was built, the complex has been a pilgrimage and procession site. [31] The architecture and decorative features reflect the doctrine of Saint Ignatius of Loyola, [3] as it was built with the principles of the Counter-Reformation in mind. The sanctuary’s role as a site for penance, according to the exercises of Ignatius Loyola, began in 1765 with 25 people participating and directed by Father Neri. [10] The sanctuary has been one of the principal places in Mexico to practice the spiritual exercises of Ignatius of Loyola, which include mortification of the flesh through flagellation and fasting. [32] During Holy Week, an estimated 5,000 perform these exercises and wear crowns of thorns on their heads. It is one of 33 weeks out of the year when visitors, mostly from the center and north of the country, visit the Casa de Ejercicios to perform penance. A complete cycle of penance, prayers and meditation lasts eight days. [33] It can receive up to 5,000 visitors each week. [6]

Each year and since 1812, the image of Jesus, depicted tied to a column and beaten, called the Señor de la Columna, has traveled in procession between Atotonilco and San Miguel de Allende. In 1812, the image was requested due to an epidemic that was plaguing the town. Today, and each year on the Saturday prior to Holy Week, it travels to San Miguel and returns to Atotonilco on Thursday night. [34]

The World Heritage Organization calls it an “exceptional example of the exchange between European and Latin American cultures” and “one of the finest examples of Baroque art and Baroque architecture in the (sic) New Spain.” [3] Because of its role in the Mexican War of Independence, it has been registered as one of Guanjuato’s 61 historic sites. [32] The area was considered sacred before the arrival of the Spanish because of the hot mineral springs. The name Atotonilco is common in Mexico, especially in the central highlands, with the best known in Jalisco. The name comes from a Nahuatl phrase “in hot water” which refers to thermal springs. [35] Chichimecas came to this particular place to perform penance rites, puncturing themselves with maguey thorns and washing away guilt in the thermal springs. [36]

According to tradition, Father Neri arrived here from preaching at missions in Dolores Hidalgo. While resting under a mesquite tree where the sanctuary is now located, he dreamt of Jesus wearing a crown of thorns and carrying a cross. Jesus told Father Neri that it was his will that the area be converted into a place for penance and prayer. [37] A different version of this story states that Father Neri was here due to his ill health and was assisting at a small church called the Capilla de San Miguelito, which is still found on the banks of the Laja River. At that time, the native Guachichiles and Pames were not completely converted to Christianity and considered the thermal springs in the area sacred and medicinal. It was also supposedly a favored place for rites that included fornication. One reason to build the church was to counter this practice. [38]

Father Neri bought the entire Hacienda de Atotonilco to build the sanctuary and to have enough productive land to support it. [38] On May 3, 1740, a ceremony was held where the Father blessed the first stone laid to construct the complex. [35] When Father Neri traced the layout of the church, it was the morning of May 3, the day of the Holy Cross, when he is said to have seen three rainbows, one to the east, one to the north and one to the south, leaving the west free. The main altar faces in this direction, towards the Holy Land. [39] The first phase of construction lasted from 1740 to 1748 and included the main nave, the tower, and old sacristy, today the Purisisma Chapel. [40] At the end of this phase, it was consecrated and the image of Jesus the Nazarene was placed. [41] The second phase lasted until 1776 when most of the chapels and other annexes were built. [39] As the complex was built, the mural work was done. The main reason behind this was to reinforce the principles of the Council of Trent and the Counter Reformation. [41] During all of this construction, Father Neri lived at the site until his death in 1776. Het enige dat op dat moment ontbrak was het bijgebouw Santa Escuela, de nieuwe sacristie, enkele gangen en het huis van de kapelaan, evenals verschillende sculpturen, altaren en olieverfschilderijen. Deze werden in de loop van de volgende 100 jaar toegevoegd. [39] [41]

Volgens het testament van pater Neri kostte het complex 22.647 pesos. De hoofdkerk is gewijd aan Jezus van Nazareth. [25] Vanaf 88 jaar na de dood van pater Neri zijn er in de 19e en 20e eeuw pogingen ondernomen om de priester zalig te laten verklaren, maar deze zijn niet gelukt. [42]

De kerk is verbonden met de gebeurtenissen van de Mexicaanse Onafhankelijkheidsoorlog in het begin van de 19e eeuw. Ignacio Allende trouwde in 1802 in deze kerk met Maria de la Luz Agustina de las Fuentes. [41] Wat nog belangrijker is, is dat op 16 september 1810 de eerste banner voor het ontluikende opstandelingenleger met de afbeelding van de Maagd van Guadalupe hier vandaan werd gehaald. [32] Na de oorlog werd de gemeenschap onderdeel van de gemeente San Miguel de Allende. [6]


Bekijk de video: TORTURA - Hinnom